Ze schrikt wakker in een donkere kamer. Waar ben ik? Welke dag is het? Hoe laat is het? Gedesoriënteerd krabbelt ze overeind. Met haar vingers voelt ze de rand van een bed en haar blote voeten raken een koude vloer.
Langzaam wennen haar ogen aan het donker en ze constateert dat ze in een kleine kamer is. Het kamertje heeft een bed, een kledingkast, twee stoelen, een lage tafel en een wasbak. Het komt haar allemaal onbekend voor. Dan valt haar oog op een knuffel, die op het tafeltje ligt. Er is iets met die oude, versleten beer. Maar wat? Ze probeert na te denken, maar haar gedachten tuimelen vaag en ongecontroleerd door haar hoofd.
Plotseling gaat de deur open en er komen twee onbekende vrouwen de kamer binnen. De één trekt de gordijnen open terwijl de ander vriendelijk glimlachend naar haar toe komt. Verbaast staart ze hen aan. Ze praten in een onbegrijpelijke taal. Eén van de dames helpt haar overeind en duwt een nat ding in haar gezicht. Wat is dat? Ze wil het vragen maar de woorden komen niet. Angstig deinst ze achteruit.
En dan opeens komen beide vrouwen op haar af. De ene vrouw houdt haar stevig vast terwijl de andere aan haar kleding begint te trekken. Eerst aan haar shirt en vervolgens aan haar broek. Waarom raken ze haar aan? Wat zijn ze van plan? De angst slaat haar om het hart.
Ze schreeuwt.
Huilt.
Schopt.
En duwt.
En dan eindelijk laten ze haar gaan.
Ze vlucht door de deuropening en komt in een lange lichte gang met wel tien dichte deuren. Haar hart bonst in haar keel. Waar is de uitgang? Angstig kijkt ze om zich heen terwijl achter haar één van de vrouwen opdoemt. Opgejaagd haast ze zich door de gang; schreeuwend en trekkend aan de deuren.
Maar alle deuren lijken gesloten. Waarom komt niemand haar helpen? Ooit waren er toch mensen die haar hielpen? Haar lief hadden? Wie waren deze mensen? En waar zijn ze heengegaan? Vage, ongrijpbare gedachten tollen door haar hoofd en de tranen stromen over haar wangen.
Ze is helemaal alleen…..
————————————————————————————————————-
In bovenstaande tekst heb ik me proberen te verplaatsen in de belevingswereld van mijn 67-jarige moeder. Ze heeft frontotemporale dementie en is vergeten dat ze in een verzorgingstehuis woont. Ze weet niet dat de vrouwen verpleegsters zijn die haar helpen met de dagelijkse verzorging. Terwijl ze naakt door de gang rende zat mijn zus, met tranen in haar ogen, in het restaurant op haar te wachten. Het geschreeuw van mijn moeder ging namelijk door merg en been.
Mijn moeder is de liefste vrouw die ik ken. Ze reageert slechts natuurlijk op een situatie die, als gevolg van de dementie, enorm dreigend op haar overkomt.

Plaats een reactie